‘Gezond’ omgaan met een community

Een professionele community is een groep die bestaat uit deelnemers die elders een vast dienstverband hebben, werken als zelfstandige of als vrijwilliger. In vele gevallen zijn deelnemers afkomstig uit zowel de overheid als het bedrijfsleven. Een community maakt kortom onderdeel deel uit van een duaal systeem (zoals Kotter dat zo treffend noemt in zijn boek XLR8 uit 2014, een voor community-builders belangrijke publicatie).

Het dubbele lidmaatschap biedt twee belangrijke voordelen. In de community komen onderwerpen en oplossingen aan bod waar de eigen organisatie nog niet aan toe is (op inhoudelijke of praktische gronden), terwijl het deelnemers ook de kans biedt om op verschillende plekken verschillende standpunten in te nemen. Dit laatste is wat schizofreen, maar desondanks heel functioneel. En vooral ook goed te begrijpen voor wie opgroeit en moet overleven in een bureaupolitieke arena (voor ‘buitenstaanders’ geldt dit helaas wat minder).

Verhouding systeem-community

Het losse karakter van een community maakt zo’n groep ook bedreigend voor de systeemspelers, die dikwijls ook zorgen voor enige financiering. Het is als community -manager interessant te bekijken en ervaren hoe die systeemspelers, zoals een gemeente, departement of brancheorganisatie zich in de praktijk verhouden tot het community-concept.

Ik gebruik daarvoor even het gedachtengoed van de ‘iconische’ Karen Horney, ik duik even ‘de psychologie’ in! Zij schreef als psychoanalyticus vele boeken over hoe mensen zich verhouden tot andere mensen, bijvoorbeeld ‘The neurotic personality of our time’, uit 1937, oud maar nog steeds leuk om te lezen. Zij noemt die relatie tussen mensen gezond of niet gezond, meer smaken zijn er niet. De kiem voor een ongezonde relatie wordt – zo stelt zij -gelegd in de jeugd van mensen. Vijandige relaties ontstaan niet van de ene op de andere dag, ze groeien en ontwikkelen zich geleidelijk.

Onderdanig, agressief of geïsoleerd

Karen Horney onderscheidt drie ‘neurotische’ relaties. Allereerst veel te onderdanig zijn. Of juist agressief of vijandig of zijn en tenslotte de non-relatie van het isolement zoeken. Dit is buiten mijn scope, maar het drieluik is te mooi om ongebruikt te laten voor een analyse van de verhouding community-systeem (of is dit heiligschennis?). In het eerste geval dweept de systeempartij met de community. Wat zijn jullie belangrijk en inspirerend! In het tweede geval is de sfeer ronduit defensief en vijandig. De community wordt bewust tegengewerkt, al of niet subtiel. In het laatste geval laat het systeem de community links liggen. Ze bestaan eigenlijk niet.

Ik heb zelf alle drie de reacties inmiddels ‘aan den lijve’ ondervonden. Te veel steun maakt lui, genegeerd worden maakt een tikje moedeloos. De defensieve reactie is het meest hanteerbaar en komt het meeste voor. Logisch, want ‘nieuwlichterij’ die meteen met applaus wordt ontvangen is verdacht (is het wel nieuw?). En het is belangrijk om zelf in ieder geval ‘gezond’ te reageren op een lauwe of kritische ontvangst. Gezond is dan voor mij vooral speels. Een community starten en uitbouwen is ook een spel. Liefde laat zich niet sturen, maar wat is tegen een beetje verleiden? Wie weet!  De les voor een community-bouwer is om altijd vriendelijk en met respect te opereren en met kritiek om te gaan. Het is de basis voor een uiteindelijk gezonde verhouding tussen een community en de systeemspelers. Soms moet je even ‘aan elkaar’ wennen. Ik ben er van overtuigd dat de community als methodiek op termijn een blijvertje is. Maar dat blijvertje moet nog wel zijn plek verdienen.

Advertenties

Een sterke community is een café

Elke goede online community heeft een geheim. Wat is dat geheim? Ik merk dat er een markt is van community-managers die ‘volle zalen’ beloven, online dan. ‘Werk met mij, en het resultaat is een goede community’, is de steevast vertelde boodschap. Een goede online community is allereerst een volle community, een groep met veel bezoekers en leden. Veel deelnemers alleen is niet genoeg, belangrijk is daarnaast dat inhoudelijk ook wat te genieten valt. Een community vol met trollen die slecht argumenteren en meestal op de persoon spelen schiet ook niet op.

‘Joining the community’

Belangrijk is dat een community-manager snapt waarom mensen deelnemen aan een zakelijke community (ik laat de hobby-groepen nu even buiten beschouwing) en daar slim en doelbewust op inspeelt. Wat zijn die redenen? Auteur Jan Bierman noemt in het boek ‘Specialization in online innovation communities’ (2014) een aantal redenen om mee te (blijven) doen in een online community. Een belangrijke reden is allereerst om hulp vragen bij een inhoudelijk of zakelijk probleem. Een ander motief is simpelweg het halen of brengen van informatie en kennis. Deelnemers doen mee om wat te leren, al was het maar om te leren of voor hun plannen of voorstellen wel of niet draagvlak bestaat. Andere motieven zijn iets willen verkopen of nieuwe contacten opdoen.

‘So far so good’, dat is geen bijzonder groot nieuws. Waarom lukt het nou bij de ene groep wel om de community actief en vitaal te krijgen, en bij de andere niet? Overal staan prachtig ontworpen virtuele community’s te verpieteren, zelfs met hele actieve community-managers. En toch zit er vaak geen leven in. En wordt waar wat een cynicus ooit zei, ‘internet biedt de kans om veel te vertellen, wat jammer nou dat nauwelijks wordt geluisterd’.

Het ‘design’ en de stijl van begeleiden

Jan Bierman schrijft in zijn overigens wel leerzame boek een spannend bijzinnetje. Een zinnetje over het belang van het design en stijl van begeleiden. Design en stijl dus, hij werkt dit helaas niet uit. Ook in vergelijkbare publicaties die ik bekeek over online-communities – en dat zijn er heel veel inmiddels – wordt daar verrassend weinig over verteld.

Dat is onterecht, want het geheim van een sterke groep zit volgens mij niet zozeer in het onderwerp, niet in de status van leden of in hun passie voor het onderwerp (al is dit laatste wel relevant). Ik denk dat vooral de stijl telt. Ben je in staat sfeer te maken, is er humor aanwezig en wordt de groep mede daardoor simpelweg een prettige plek om te verblijven. Een lichte vorm van gekte en monomanie van de begeleider is daarbij een pre zoals daarnaast aardig zijn, zeer betrokken en inhoudelijk scherp.

De kracht van het café

De beste (online) communities die ik ken zijn een café, waar regelmatig langs het randje wordt geschuurd. En de begeleider is een iets te aanwezige cafébaas. In zo’n café worden dingen bij de naam genoemd, door de cafébaas voorop. In geen enkel keurig community-boek ben ik nog tegengekomen dat de beste begeleider trekjes moet hebben van een straatvechter. Dat werkt namelijk heel goed!

Wie om zich heen kijkt ziet dat ook offline het café model flink om zich heen grijpt. Zoals in de publieke en in de private sector, denk aan het begripvolle zorgcafé, het sportcafé, het aanbestedingscafé, ga zo door. We hebben het hier dus over zakelijke, professionele communities! Het café-concept symboliseert de behoefte aan persoonlijk contact en vriendelijke omgangsvormen. In een community mag werken ook gezellig zijn, zelfs als de cafébaas wat luidruchtig is.

Het visitekaartje van een community is een boek

In het boek 42 Rules for Driving Succes with Books (onder redactie van Mitchell Levy) schrijven 42 management-auteurs hoe hun carrière een enorme ‘boost’ kreeg doordat zij schrijver werden, ze publiceerden namelijk allemaal een boek. De publicatie is van lang voor het echte internet-tijdperk, dat is 2008 (het is bijna grappig hoe dichtbij dat eigenlijk is). Waarschijnlijk schrijven vergelijkbare mensen anno 2019 een blog, of maken een vlog of een podcast.

De explosiekracht van een idee

De strekking van is hun stukjes is steeds hetzelfde. Mede door het boek werden zij een ‘thought leader’, doordat zij mochten spreken op congressen en omdat zij via het boek de kans kregen bijzondere mensen te ontmoeten die hen inhoudelijk en zakelijk een ‘jumpstart’ bezorgden.

Het is de VS en het is ‘way back’. De toon van 42 Rules is bijna pochend, auteurs noemen letterlijk hoeveel geld ze kregen voor een spreekbeurt en het woord sociaal ondernemerschap moest klaarblijkelijk nog uitgevonden worden.

Wat desondanks leerzaam is is de gedachte dat het uitventen van een idee of verzameling van ideeën zorgt voor een explosieve wending. Verander de wereld en begin met een idee. In het oeroude en bijna mythische gevecht tussen het zwaard en het idee is het op de lange termijn bijna altijd het idee dat wint!

Samen ‘thought leader’ worden

Voor een community-ondernemer is het verhaal van 42 Rules aanstekelijk. Maak van de community een ‘thought leader’ en schrijf samen een boek. Vijf jaar terug ontmoette ik een bevlogen man, hij heet Richard van der Lee. Bekijk even http://organileren.nl/richard-van-der-lee/ . Hij had toen al een tijdje een eigen uitgeverij, de ABC uitgeverij. Zijn concept was opmerkelijk en voor mij aansprekend. Hij liet steeds een bepaalde community zelf een boek schrijven. Ik herinner me hele aardige boeken van de ABC-uitgeverij over opvoeden, geschreven door kinderen, een boek van defensie-ambtenaren en een boek van consultants over een ommekeer in hun (werkende) leven. Hij schreef zelf niet, maar liet de community-leden de hoofdstukjes indienen en zorgde voor de marketing. Dit klinkt overigens veel eenvoudiger dan het in de praktijk was. Diezelfde Richard maakt nu furore als – onder andere – serious-play trainer, altijd een stap vooruit dus!

De magie van community-boeken

Ik heb hem indertijd thuis opgezocht en gevraagd of hij mee wilde doen aan een boek over de community op Scheveningen, in zijn geest. Hij reageerde met enthousiasme maar had helaas geen tijd (of het budget was veel te laag, dat kan ook). Het community-boek ‘Scheveningen Schittert’ is er gekomen, is een paar jaar terug gratis huis aan huis bezocht, 30.000 exemplaren. Ik ontdekte toen ‘iets’ van de magie van community-boeken.

Sindsdien zijn vele publicaties gevolgd, een stuk of vijftien inmiddels, tot aan zeer binnenkort een boek van de community met aanbestedings-specialisten. Een community-boek is maar een van de mogelijke vormen. Een film, podcast of andere mediale vorm werkt ook.

Een community van vakmensen bezit samen een rijke verbeeldingskracht. Een boek met ideeën vergroot het aanzien van de gehele groep. Elke professionele groep of groep van ervaringsdeskundigen bezit de potentie om een ‘thought leader’ te worden.

Een constructieve toon helpt

Robin Ryde benadrukt in het boek ‘Thought leaderschip, moving heart and minds’ uit 2007 hoe belangrijk de toon van thought leadership is. Klagen helpt niet echt, constructief zijn werkt beter. Ik laat dit nu bewust even onuitgewerkt, Ryde behandelt zeer eloquent verschillende denkstijlen voor het maken en schrijven van publicaties. De strekking is dat naast het idee en boek ook de verpakking en stijl een grote rol speelt, welkom in het tijdperk van  ‘branding and framing’.

Een community-ondernemer die helpt om samen een boek te schrijven maakt krachten los die bijzonder sterk (kunnen) worden. Een community-boek is een visitekaartje van een groep die met hart en ziel ergens voor staat. Een positief boek geeft energie die dikwijls onweerstaanbaar is.

 

 

 

Community, mensbeeld en de balans tussen identificatie en separatie

De spreker op een recent congres over kunstmatige intelligentie, ik hielp mee als gespreksleider, keek de zaal wat uitdagend aan. ‘Wat is eigenlijk een mens?’ Het bleef even stil, daarna barstte het los. ‘Een wezen dat denkt’, riepen velen. Een andere groep noemde juist ‘iemand met emoties’ als de juiste omschrijving. De spreker vond alles best, maar zei wel zachtjes ’ik zou gezegd hebben, een sociaal dier’.

Interessant. Nadere verkenning leerde dat zijn antwoord geleend was van Aristoteles. Voor wie zich in community-building verdiept is de vraag ‘wat is een mens’ belangrijk. Wat is een mens? Is de mens een sociaal dier?  Het lijkt op het eerste gezicht logisch het antwoord te zoeken bij een filosoof. Maar we zoeken nog even door. Is de mens een social animal? Wat betekent dat?

Hulp van de wetenschap

Op naar de biologen, psychologen en sociologen, vanwege kennis van dieren, mensen, de menselijke psyche en gedrag. Bijna allemaal bevestigen zij de extreme oriëntatie van mensen op andere mensen, vooral vanuit een evolutionair perspectief. Sociale oriëntatie is overleven, en deze overlevingskunst is in de loop van de tijd door mensen steeds verder verfijnd. Mensen bijken daar goed voor uitgerust: ‘They are wired to connect’.

Het goede nieuws van een sterke groepsoriëntatie is dat het leidt tot samenwerking. Mensen zijn net als bijen goede teamspelers, denk aan samenwerking bij het verzamelen van voedsel. Jonge kinderen zijn geprogrammeerd om in de buurt van goede verzorgers te blijven. Overigens, een leuk feitje, zelfs insecten maken af en toe ‘ruzie’ met elkaar. Het beeld van de altijd vrolijk samenwerkende bij is een mythe.

Het slechte nieuws is dat mensen – net als wilde dieren trouwens – goed zijn in competitie, in vechten om te overleven. Mensen zijn ook ‘wired to be hostile to outsiders’. Ze kunnen razendsnel herkennen wie hun vriend of hun vijand is. Mensen denken tribaal en bovendien geneigd verschillen eerder uit te vergroten dan te verkleinen. Mensen zien makkelijker verschillen dan overeenkomsten.

Vertrouwen als basis en de angst voor uitsluiting

Sociologen en psychologen nuanceren de wetten van de jungle enigszins door te wijzen op het belang en de waarde van vertrouwen en positiviteit. Om stabiele en betekenisvolle relaties op te bouwen zijn constructieve relaties zowel handig als noodzakelijk. Zonder vertrouwen kan een complexe samenleving niet draaien. Het gaat daarbij om zowel economische als psychische baten van samenwerking en vertrouwen. Wie te egoïstisch en ‘selfish’ opereert staat uiteindelijk met lege handen, sociale oriëntatie biedt toegang tot status en welvaart. Sociale oriëntatie voorkomt of beperkt ook de kans op afwijzing. Uitgesloten worden is de ultieme angstdroom van mensen, wordt bijna in koor benadrukt.

Groepsdruk en vrijheid

De menselijke drang om erbij te horen kan leiden tot ongewenst conformisme en groepsdruk. Teveel community en nadruk op gemeenschapszin leidt tot verlies van vrijheid en creativiteit, ‘the need to belong fosters conformity’.

Hier komt een ander mensbeeld om de hoek kijken. De mens is vrij, kan vrij denken en ook vrij handelen. Het is het credo waar velen mee opgegroeid zijn en koesteren, zowel politiek als cultureel. De mens is toch geen sociaal dier, maar vooral een vrij individu? Ik loop vast, dit vermoedde ik trouwens al bij de start van deze zoektocht.

Een mens ontwikkelt zich

Psycho-analist Paul Verhaeghe met zijn boek ‘What about me, the struggle for identity in a market-based society’ uit 2014 biedt hulp. Verhaeghe is een Freudiaanse denker met oog voor ‘society and disorder’. Mentale problemen hebben voor hem vooral maatschappelijke oorzaken. Hij zet zich af tegen de genoemde startvraag, wat is een mens. Zijn insteek is ‘becoming’, een mens is niet zo zeer iets, maar wordt iets. Het gaat om ‘becoming’ in plaats van ‘being’.

Mensen worden volgens hem levenslang twee richtingen uitgetrokken, richting identificatie en separatie. Ze willen hartstochtelijk ergens bij horen, maar ook vrij zijn en zich als zelfstandig individu ontwikkelen. En hier gaat het volgens Paul Verhaeghe goed mis, de balans is verstoord, privé maar ook professioneel. De redenering is zowel aansprekend als zorgwekkend, zijn boek heeft overigens wel trekjes van een pamflet.

Welk verhaal domineert?

Wie ‘sameness’ te veel benadrukt, legt een voedingsbodem voor uitsluiting. Wie individualisme voorop zet creëert sociale isolatie, eenzaamheid. De Belg Verhaeghe sombert vooral over de teloorgang van een communal ethos, vanuit de redenering ‘if we do not longer feel part of an organization, why should we do our best for it?’ Identiteit is het resultaat van een verhaal dat de samenleving draagt. Als ‘het dragende verhaal van een samenleving’ te onstabiel wordt, beginnen de (mentale) problemen.

 

 

 

Community en de ruimte voor kinderen

In een groep van vooral jeugdprofessionals waarin ik mag meehelpen, met als thema jeugd en preventie, kwam de wens bovendrijven om kinderen actieve ‘inspraak’ te geven. Op dit woord inspraak kom ik zo terug. De wens kwam vanuit deelnemers uit de kinderopvang, waarmee duidelijk werd dat het niet alleen om tieners of jong volwassenen ging.

Een verzameling voorbeelden

Een snelle verkenning en vooral een greep in eigen geheugen leverde talloze en zeer uiteenlopende voorbeelden op. In Den Haag worden jeugdlintjes uitgedeeld, Harderwijk maakt goede sier met de kinderburgemeester, talloze plaatsen kennen kinderwijkraden. Zelf deed ik een tijdje terug mee aan een meeting met een Nederlandse prinses die voor bedrijven en overheden een Raad van Kinderen installeert, met kinderen van de basisschool! Een goede kennis van mij organiseert voor gemeenten adviesgroepen met jongeren die door ambtenaren in te huren zijn. We kennen in Nederland een actieve Kinderombudsvrouw en ik weet dat de waterschappen jeugdbestuurders kennen. Laatst werd ik benaderd door een organisatie die streed voor kinderrechten, de voorzitter daarvan worstelde vooral met te weinig departementale steun voor hun werk. We kennen kindertelefoons en inlooppunten voor jongeren. Hulpverleners hebben talloze digitale tools voor jongeren ontwikkeld, van sites tot app’s. Ook de recente klimaatmarsen van scholieren kwamen direct in herinnering, net hier en daar de ongemakkelijke reactie van volwassenen, tot aan een beetje stroeve onderwijsminister toe. Als basketball-coach tenslotte liet ik mijn jonge spelers deze maand zelf de spelers van het jaar kiezen. Kortom, met kinderparticipatie kun je als institutie en als persoon alle kanten op. Zoals ook ‘alle’ leraren en ouders weten!

Internationaal is de lijst makkelijk aan te vullen. In het prachtige boek “Children and Young People’s Participation (learning from across countries)” uit 2014 onder redactie van Tisdall c.s. wordt per werelddeel en daarin diverse landen, de plaats van kinderen in hun community beschreven en geanalyseerd. Bijzondere vermelding verdient de rubricering van vormen van kinderparticipatie, ook zeer nuttig voor de grote mensenwereld.

Perspectief van volwassen

Terug naar ongemakkelijke reactie van volwassenen op kinderen, die (hun) ruimte claimen. Onderaan de zogenoemde kinderparticatieladder, die bestaat dus ook (de bedenkers zijn o.a. auteurs als eerst Arnstein en later Hart in 1992) staat ‘manipulation’ en ‘decoration’. Soms is simpelweg sprake van non-participatie en is kinderparticipatie een speeltje van volwassen en niet meer dan een symbolische daad. Een vraag die altijd opkomt is de ‘nutsvraag’ voor volwassenen. Wat levert het ‘ons’ als ouderen op? Krijgen we ‘betere’ adviezen? Of, veel erger, moeten we hierdoor onze macht of ons comfort inleveren? Denk aan auto’s, vliegreizen, pensioenen en meer.

In een zwaardere vorm van participatie gaat het om delen van beslissingsmacht tussen kinderen en volwassenen. Waarbij onderscheid is te maken tussen situaties waarin ouderen het initiatief namen of kinderen zelf. Deskundigen waarderen vooral het eigen initiatief van kinderen als groot goed en zien het belonen daarvan als de ultieme vorm van kinderparticipatie.

Een ecologische benadering van kinderparticipatie

Het voortreffelijke boek van de Australische kindertherapeuten en wetenschappers Rodger en Ziviani uit 2006 (“Occupational therapy with children) is een leesbaar en overtuigend pleidooi om de positie van kinderen in communities zwaar te versterken. De term community verwijst zowel naar het macro-niveau (land of gemeente) als het meso-niveau (instituties als scholen of instellingen). Ze kijken vooral vanuit het perspectief en het belang van kinderen zelf (zoiets doen volwassenen – zo merkte ik ook bij mezelf- niet vanzelfsprekend, een beetje pijnlijk is dat wel).

Die kinderen zijn – de eerste invalshoek – volop in ontwikkeling en vormen hun eigen identiteit. Kinderparticipatie is daarvoor van onschatbare waarde. De kinderen doen vaardigheden op en ontwikkelen zelfvertrouwen. Kinderen leren door voor anderen te zorgen ook beter om voor zich zelf te zorgen, een geweldig bijeffect van participatie! De kiem van actief burgerschap begint met luisteren naar en samenwerken met kinderen.

Daarnaast wordt gewezen op het belang om community-capacity te benutten, ‘the collective power’ van kinderen. Kinderen zijn naast leuk ook vooral wijs en slim. Wie verstandig is gebruikt het verstand en de verbeeldingskracht van kinderen en jongeren.

De derde invalshoek is wat de auteurs de ecologische benadering noemen. Dit komt dicht in de buurt van de eerder genoemde kinderrechten. Kinderen leven in een natuurlijke en fysieke wereld, en daarnaast in een sociale en culturele wereld. Ze hebben allereerst recht op natuur, op groen en frisse lucht. Op speelplaatsen die ‘cool’ zijn en ook plekken waar ze ‘adult free’ kunnen freewheelen. Ze hebben ook recht om actief mee te denken over de manier waarop we steden en dorpen inrichten! En op kansen om te sporten en bewegen.

Sociaal-cultureel bekeken gaat het vooral om recht op aandacht, verzorging, een luisterend oor en om het recht om uitgedaagd en gestimuleerd worden. Wanneer het systeem (lees, alle volwassen, van vrijwilligers, bedrijven tot de publieke sector’) dat niet of onvoldoende bieden, moet de kans bestaan om die balans te herstellen. Zoals bijvoorbeeld het recht om te demonstreren onder schooltijd! In het boek houden de auteurs een extra pleidooi voor kinderen met een beperking, met daarbij een treurige foto van een jongetje in een rolstoel onderaan de trap van een glijbaan. Over disbalans gesproken!

Nieuwe community-initiatieven

Wat ben ik blij met ‘mijn’ community jeugd en preventie. Als een community-ondernemer met en voor de invloed van kinderen aan de slag gaan, let’s do it!

De opkomst van de community-ondernemer

Community-building als professionele activiteit wordt uitgevoerd op drie manieren. Twee daarvan zijn redelijk bekend, de derde veel minder, maar is wel in opkomst. De klassieke community-builder is de opbouwwerker. Het vak van opbouwwerker was decennialang wat uit de gratie, maar maakt nu een stevige comeback. Steeds meer zzp-ers zien ‘opbouwwerk als deel van hun bedrijfsmissie en sluiten veelbelovende deals met klassieke welzijnsinstanties. Vooral op buurtniveau doet een nieuwe generatie van deze community-builders goed werk.

Het tweede type community-builder is de online moderator die in zowel de private als publieke sector opereert. Het is de groep die in eerste instantie vooral voor corporates opereerde en actief bouwt aan de fan-community. Steeds vaker worden ook rondom sociale vraagstukken vergelijkbare fan-community‘s gebouwd, met dank aan in het bedrijfsleven opgedane inzichten.

De laatste groep is wat mijn goede vriend Michel Koolmees de gemeenschaps-ondernemer noemt. Zijn beroepsprofiel is overigens bijzonder interessant. Als ondernemer kwam hij jaren terug in het welzijnswerk terecht. Daar specialiseerde hij zich op de driehoek IT, ondernemen en welzijnswerk. Inmiddels doet hij bijna hetzelfde, maar dan nu voor een IT ondernemer. Zijn grensgevecht is niet zonder obstakels, maar leidt tot producten als digitale wijkraad, de muziekspeelplaats en veel meer.

Voor de community-ondernemer als nieuw vak liggen veel kansen. Bevlogen professionals uit bij voorkeur verschillende disciplines en ervaringsdeskundigen verenigen om nieuwe oplossingen te bedenken en realiseren voor sociale kwesties, dat is de missie van een community-ondernemer. Op een manier die zowel leerzaam als persoonlijk is, de vorm telt ook zwaar bij deze aanpak.

Een plezierige struggle

Community en ondernemen als met elkaar verbonden concept is – zo ervaar ik zelf ook – nog geen mainstream (gelukkig maar?). Het voor mij belangrijkste kenmerk van ondernemen is ongevraagd in actie te komen. Publieke officials in een community zijn opgegroeid met het fenomeen opdracht. Wat komt eerst, de actie of de opdracht? De actie dus. Een community-ondernemer start met gelijkgezinden en verdient daarmee de opdracht. Zo niet, dan niet, dat is ondernemen! Hier moeten de medespelers uit het publieke domein dus nog ‘even’ aan wennen, maar de wereld verandert snel!

Een tweede obstakel is boeiender en heeft te maken met wat Geoffrey Moore noemt ‘Crossing the chasm’ uit 2013, wat mij betreft een must read voor elke startende (community-)ondernemer. Dit is zijn les. Wie ongevraagd initiatieven opstart krijgt al snel fans bij de zogeheten uitvinders en early-adopters. Zij identificeren zich met innovatie en krijgen warme gevoelens bij woorden als proef, experiment of pilot. Moore beschrijft hoe groot de kloof is tussen de early-adopters en de early-majority. Die laatste groep omarmt het nieuwe produkt alleen wanneer het bijna gebruiksklaar wordt opgeleverd en vooral, wanneer het nieuwe niet te veel afwijkt van de bestaande routine. Vervolgens gaat de late-meerderheid pas om wanneer zij volledig ontzorgd wordt, en zij min of meer voor een voldongen feit staan.

Wie in, met en voor een community wil ondernemen moet kortom ‘gehaaid’ zijn. Mooier is het niet te maken. Wegblijven van pilots en proeven, ondergronds testen, de orde niet verstoren en de resultaten als onafwendbaar presenteren, dat helpt al heel wat. En, zoals de eerder genoemde Michel mij altijd voorhoudt, veel broodjes kaas eten met de spelers, onverstoorbaar blijven en het plezier erin houden.

Op reis door de community

Reizen kan leerzaam zijn, omdat het dwingt om met een ander perspectief te kijken. ‘Met andere ogen kijken’ gaat overigens niet vanzelf. Dat duurt een tijdje, tijd die nodig is om ook ‘afstand van jezelf’ te nemen.

Community-management is boeiend en arbeidsintensief tegelijk vanwege de permanente reis door de eigen community. Wie een community begeleidt is in feite bezig met permanent, ‘never ending’ onderzoek (meer hierover in het prachtige boek ‘Community research for participation, from theory to method’ van Lisa Goodson en Jenny Phillimore uit 2012).

Schaken in het klassieke netwerkoverleg

Wie het zich makkelijk maakt organiseert voornamelijk van tijd tot een tijd een breed groepsoverleg. Het is de mainstream-praktijk van de gewone netwerk-coördinator die met de overbekende stakeholders van tijd tot tijd vergadert. Het tekort van dit type overleg schuilt vaak in de afstand tot de praktijk van de deelnemers en vooral in het filteren van informatie en standpunten. Bijeenkomsten in het klassieke netwerkoverleg verworden al te vaak tot vermoeiende spelletjes schaak.

Kiezen is onvermijdelijk

Wie zich op het pad begeeft van de community-research moet nadenken waarop de focus te leggen. Meestal zijn er drie soorten keuzes te maken. Focus op alleen de systeemspelers of focus op de ervaringsdeskundigen. Een keuze voor ervaringsdeskundigen loont sterk, maar geeft wel extra uitdagingen. Die komen niet vanzelf opdagen en het stelt extra eisen aan de wijze van begeleiding, qua taal en keuze van onderwerpen. Het is overigens mooi om te zien dat met de introductie en opkomst van de zogeheten klantreizen (‘a customer journey’) de blik al steeds meer naar buiten wordt gericht. Houden zo!

Wie aan community-research doet krijgt te maken met twee typen kennis, gevalideerde, (semi-)wetenschappelijke kennis en de zogeheten huis-, tuin- en keukenkennis. Vergelijk het met het doktersrecept of het middeltje van oma. Het is waardevol om van beide typen inzichten te genieten, liefst met enige distantie als de praktijkkennis wat al te wild wordt.

Dit zijn nog redelijk bekende keuzes. Ik leer als community-manager dat nog een andere keuze cruciaal is en ook niet onomstreden. Elke gemeenschap kent spelers uit het midden en aan de rand. De middenspelers zijn bekend, gevestigd en ervaren met overleg en groepsbijeenkomsten. Wie aan community-research doet en de randen opzoekt komt in een heel ander circuit terecht. Het is de plek van de voorlopers, de avonturiers, de eigenheimers en soms ook de ruziezoekers. Het is me op een slechte dag van mijzelf al eens overkomen dat ik een gesprek simpelweg niet trok vanwege de boosheid die op me af kwam (dat hoort niet maar gebeurt wel). Het is een wereld van idealisme en rancune, van de boeiende ideeën en de schitterende vergezichten.

Met ‘pleasen’ kom je niet ver

Het is juist op die plek waar community-building en community-research zijn meerwaarde bewijst. Zoek kortom ook de randen op. Een waarschuwing is wel op zijn plaats. Verwacht niet direct applaus van sponsors. Elke community kent zijn eigen ‘discours’ en soms is de discussie simpelweg (nog?) niet rijp voor een thema, vraag of gezichtspunt. Deal with that, een community-manager die vooral wil ‘pleasen’ komt niet ver. Ook van een community-reis raak je stoffig, bezweet, je kunt beroofd worden en je geld (of erger?) kwijt raken. Maar dan krijg je ook wat?!