Vragen als lijm van de community

Een van de ‘zorgen’ van elke community-manager is hoe de schwung in de groep te houden. Dit is niet zomaar een vraag, maar voor mij een echte sleutelvraag. Een groep bij elkaar brengen is een ding, maar enthousiasme, plezier en kwaliteit blijven brengen is toch de essentiële volgende stap.

Persoonlijk heb ik veel geleerd van de inzichten van onderwijsvernieuwers. Ik weet, die staan vaak in een slecht daglicht, maar dat is niet altijd terecht. Bijzonder boeiend is bijvoorbeeld het concept van de flipped-classroom, de gekantelde klas. De theorie daarachter luidt kortweg als volgt: ‘Gebruik de tijd die een groep samen doorbrengt op zo’n manier dat de vonken er vanaf spatten’. Dus; doe geen of slechts minimaal dingen die een individuele deelnemer ook zelf thuis kan doen. Dus; geen ellenlange presentaties van meester of juf voor de klas, of samen films bekijken etc. Investeer in en benut de meerwaarde van het samen zijn. Zorg voor zowel spannende, interactieve als echt leerzame ontmoetingen.

Het domein formuleren

Een belangrijk inzicht, maar het is niet genoeg. De vervolgvraag is namelijk hoe de conversatie op een goed niveau te brengen. Een ogenschijnlijk simpel antwoord ligt in ‘de vraag.’ Zorg dat de juiste vraag wordt gesteld. Community-builders van het eerste uur beschrijven dit als de zogenoemde domeinkwestie. Wie een groep bij elkaar brengt, moet diep nadenken en steeds weer onderzoeken welke vragen centraal moeten staan.

Het definiëren van dit zogenaamde domein wordt wel eens beschreven als ‘een vorm van kunst’. In eerste instantie vond ik die typering wat overdreven, maar zo langzamerhand wijzigt mijn oordeel. Geen community zonder conversatie met goede vragen. Een duidelijke spelregel is: ‘Stel geen vragen die deelnemers alleen ook wel kunnen oplossen. Werk met moeilijke vragen die de denkkracht van afzonderlijke deelnemers te boven gaat’. De tip blijkt cruciaal. Tijdens vergaderingen bijvoorbeeld geldt nogal eens als mechanisme dat de meeste tijd aan de minst moeilijke kwesties wordt besteed, als een vorm van ‘mentaal afschuiven’.

Het raadsel is daarmee nog niet opgelost. Hoe aan moeilijke en tegelijk boeiende vragen te komen? Onlangs stuitte ik met een groep jeugdprofessionals op de volgende kwestie: ‘Hoe komt het toch dat in korte tijd het beroep op de jeugdzorg zo is gegroeid’. De remmen gingen los, deze vraag raakte iedereen. Genoeg stof voor een of meer prachtige ontmoetingen. De vraag is moeilijk, raakt elke deelnemers persoonlijk en draagt een belofte in zich (‘stel dat we daar toch eens achter komen’).

Persoonlijke context

We zijn weer wat verder, een sterke vraag helpt, maar hoe krijg je vervolgens de conversatie daarmee ook echt op gang? Ik heb genoten van een boek van David Carr, met als titel ‘Open Conversations’ uit 2011. Open conversaties zijn in zijn definitie vooral ‘persoonlijk open gesprekken’. Dat betekent niet zozeer babbelen over het weer of vakantie. Open zijn betekent als spelregel dat voordat de discussie losbarst elke gespreksdeelnemer eerst uitlegt welke ervaring hij of zij heeft met het thema in kwestie en wat er belangrijk aan is. Deelnemers bieden dus eerst een persoonlijke context. David Carr beveelt vervolgens ook aan een optimistische toon aan te slaan, de luisteraar zoveel als maar kan ‘te lezen’ en vooral, om meer te luisteren dan te praten!

JUST ASK IT!

Een goede vraag is volgens Jeffrey T. Cook de lijm van elke groep. Zijn boek over vragen heet ‘Group Glue, the collective power of how simple questions lead to great conversations’, uit 2016. Opnieuw komt het advies vooral persoonlijk te beginnen (‘waar heb jij nou een hekel aan om bijvoorbeeld geld aan uit te geven’). Om vervolgens ook nu over te schakelen op de zogenoemde de breinkraker. Cook gebruikt daarvoor ook een variant op de welbekende NIKE reclame – ‘JUST ASK IT’!

Advertenties

Zen en community-building

Wie dagelijks bezig is met bijvoorbeeld afvalinzameling of mobiliteit kan het op vakantie niet laten. Die kijkt bij een buitenlandse reis hoe het er in andere landen aan toe gaat en vergelijkt. Een recente reis door Zuidoost Azië bood voor mij alle kans om na te denken over de theorie en praktijk van zen en community-building. Zen stamt uit het boeddhisme en is meer levensfilosofie dan religie. Vooral het boek ‘The spirit of Zen’ van Max van Schaik uit 2018 was daarbij bijzonder leerzaam.

Over Zen als filosofie

Voor ik toekom aan Zen en community-building eerst enkele introducerende opmerkingen. Zo werd duidelijk dat Zen de fonetische uitspraak is van het Chinese Chan. Omdat vooral Japan de Zen-filosofie exporteerde, zijn de Chinese roots bewust wat op de achtergrond geplaatst. Geopolitiek raakt alles, ook de filosofie! In het supermoderne en zeer ondernemende Japan moet boeddhisme vechten voor het bestaansrecht, terwijl bijvoorbeeld In het kleine en zeer arme Laos de monniken nog het straatbeeld domineren. Dat heeft ook zeer praktische achtergrond. Jongeren die (tijdelijk) monnik worden krijgen In Laos een kans op scholing, in Japan bestaat die noodzaak niet meer.

Over Zen als ‘leer’ bestaan in het westen sterk vereenvoudigde beelden. Zo werd Zen verbonden met relaxt zijn (‘doe eens even zen’) en teruggebracht tot zittend mediteren, terwijl zogenaamde koans herhaaldelijk worden uitgesproken. Max van Schaik maakt duidelijk dat het hier gaat om een bepaalde vorm van Zen, waarbij wordt vergeten waarom voor die rituelen wordt gekozen.

Zen werd in de zestig en zeventig van de vorige eeuw opvallend populair in de zogeheten ‘counter-culture movement’, denk aan de hippies. Daarbij werd selectief gewinkeld waarbij die elementen die minder aantrekkelijk leken eruit gefilterd werden. En dan met name het aspect van de ‘rebirth’.

Op reis

Op reis vielen mij een aantal zaken sterk op, met zoals community-building in het achterhoofd. Ik noem ze even snel, waarbij daarna de rol van Zen aan bod komt. Opvallend vond ik de sterke oriëntatie op de familie, waarbij zelfs overleden familieleden met regelmaat via rituelen worden geëerd. Opvallend waren daarbij de hoffelijke omgangsvormen. Waarbij direct moet worden aangetekend dat die hoffelijkheid in Cambodja niet voorkwam dat de ene helft van de bevolking de andere helft dramatisch en gruwelijk uitmoordde, onder het relatief recente Pol Pot regime van de Rode Khmers. In de derde plaats viel de wel heel relaxte sfeer op, zonder grote focus op effectiviteit en efficiency (‘Waar is hier de deadline?’). Dat kan aan het warme en vochtige weer hebben gelegen en vooral mijn eigen vakantie-mood, of had het toch ook een diepere, culturele achtergrond? Een laatste observatie betrof de sterke oriëntatie op spiritualiteit en religie, met daarbij de voorspelling dat bij voortschrijdende modernisering en groeiende welvaart die waarschijnlijk het eerste slachtoffer worden. Vietnam met hun groei-economie was (al) een stuk rauwer, harder en minder spiritueel dan de buurlanden en is waarschijnlijk over tien jaar onherkenbaar veranderd.

Zen-filosofie en community-building, een top 5

Wie de literatuur scant ziet opvallend veel ex-monniken die als zelfverklaarde guru’s boeken schrijven en lezingen geven. Zen is blijkbaar ook westerse business (geworden), op de markt van zelfhulp en management. Een populair voorbeeld is de Indiase Gaur Gopal Das, met ‘Life’s Amazing Secrets: How To Find Balance and Purpose in Your Life uit 2018’. Wat zijn die – ook voor westerse community-builders interessante inzichten? Een top 5.

1 Omarm het fluïde. Opvallend is de aandacht in de zen-filosofie voor water. Water staat voor beweging. Opvattingen zijn nooit spijkerhard, zelfs hard ijs gaat bij een veranderde temperatuur gewoon weer stromen. Dat geldt uitdrukkelijk ook voor de Zen-filosofie zelf. Boeddhisme? Kill Boeddha!

Les voor community-builders: voedt twijfel aan bestaande paradigma’s en zorg actief voor voldoende tegenspraak

2 Herken onderlinge afhankelijkheid. Iets staat in de zen-filosofie nooit helemaal op zichzelf, ook mensen niet. Dag bestaat alleen omdat er ook een nacht is. Iets lang noemen kan alleen omdat we weten wat kort is. Alles is met elkaar verbonden.

Les voor community-builders: problemen niet geïsoleerd benaderen, oog hebben voor ‘the big picture’ en het verbonden zijn benadrukken.

3 Het principe van oorzaak en gevolg. Dat is de klassieke karmagedachte. We zijn verantwoordelijk wat we doen. Hierin ligt ook de oorsprong van de omstreden rebirth-filosofie en het vereren van voorouders. Dit is echter ook te vertalen als een grote verantwoordelijkheid voor volgende generaties.  Daarmee is de Zen-filosofie uitdrukkelijk geen comfortabel concept, pas op je tellen!

Les voor community-builders. Steeds de impact op de langere termijn agenderen, zelfs voor volgende generaties. Stappen en acties zijn niet vrijblijvend.  

4 Investeren in compassie. De uitdaging is zowel emotioneel als cognitief egoïsme te overstijgen. De welbekende meditatie is daarvoor een beproefde methode, maar niet per se noodzakelijk. Meditatie biedt de kans om uit hoofd te komen, en afstand te nemen van ‘dirt and unhelpful thinking’.

 Les voor community-builders.  Tijd zoeken en doelbewust inbouwen voor reflectie. En doelbewust agenderen voorbij het eigen belang.

5 Spelen met taal, symbolen en metaforen. De zen-filosofie straalt weerstand uit tegen te harde en duidelijke uitspraken en stelligheid. In plaats van leerboeken wordt liever gewerkt met evoluerende leermeester relaties, waarbij af en toe bewust onduidelijk is wie nu wat van wie leert. Adviezen zijn bewust ontwijkend via metaforen of gewoon een smiley.

Les voor community-builders. Doe een beroep op eigen creativiteit en inzicht. Verkies inspirerende verhalen boven duidelijke instructies. Onderschat nooit de wijsheid van de groep.

Verbinding tussen oost en west

Het is goed te zien hoeveel van deze van oorsprong oosterse inzichten al in al of niet gepopulariseerde vorm bij ons zijn doorgekomen, ook in het westerse zakenleven. Veel van de bovengenoemde zaken komen bekend voor. We zijn al meer Zen dan we ons realiseren? In het westen hechten we erg aan efficiëntie, een goede balans tussen inspanning en baten. Af en toe reizen is behoorlijk doelmatig, je kunt veel baat hebben aan niet werken!  En, om met een metafoor te eindigen, organiseer community-building als het even kan als een ontspannende, leerzame en daarmee beslist ook productieve reis.

Oog voor community-goodness

De man die ik sprak werkte jarenlang bij een middelgrote gemeente, hij kon daar smakelijk over vertellen. Het gaat hier om iets van decennia terug. In de middag gold daar een telefoonverbod (het tijdperk van de vaste telefoons dus). De professionals moesten namelijk wel kunnen nadenken bij het maken van beleid, en niet gestoord worden. Dat was toen.

 Een aantal jaren geleden ontmoette ik een manager uit het opbouwwerk. Ze zei: ‘Ook ik herinner me de gemeente als een bastion, je kreeg nooit iemand te pakken. Nu moeten we bij wijze van spreken de ambtenaren uit ‘onze’ portieken jagen, omdat ze in hun streven naar contact met de burger een beetje in de weg lopen’.

 De professionele wereld is ten goede veranderd, zeker. Hele generaties groeien op met samenwerken, het begint al op school, veel beter dan vroeger. Maar ik twijfel nog. Dat zit zo. Een jaar geleden kwam ik in contact met een doorgewinterde, echt succesvolle community-builder, ergens in het midden van het land. Ze gaf me bijles in ‘community-kunde’. Het is, zo zei ze, in essentie simpel, ‘the community is the answer’, waarna een betoog volgde over jeugdcriminaliteit, het gezondsheidsvraagstuk en veel meer. De lijst van thema’s met een sterke potentiële community-rol was volgens haar oneindig lang. Haar standpunt was .. als de community nu eens echt actief werd ingeschakeld, dan zijn de resultaten verbluffend positief. Tom Wollf noemt dit in zijn boek ‘The power of collaborative solutions’ uit 2010 het aanspreken van community-goodness, een sterke term. 

Community-building is niet de een of andere ‘slimme’ organisatievorm, een kunstje naast vele anderen. Het is in de kern een spiritueel en ecologisch principe. Spiritueel is een wat omstreden begrip (‘heeft dat met religie te maken?’), maar staat gewoon voor echt verbonden zijn met mensen. Heel goed luisteren helpt daarbij enorm, en vooral niet vergeten op tijd de eigen-mening-machine uit te zetten. 

Ecologisch denken staat voor simpelweg (willen) inzien dat problemen van mensen naast indivuele oorzaken ook te maken hebben met hoe de omringende wereld is georganiseerd. Obesitas bijvoorbeeld heeft veel met falende eigen discipline  te maken maar ook met toezicht, ruimte of vervoerssystemen die te weinig tot bewegen verleiden of de al te uitnodigende schappen van de supermarkt. 

De sociale werkers die ik ontmoet in diverse professionele communities zijn stuk voor stuk zeer betrokken bij andere mensen, op het idealistische af. Het is een voorrecht steeds een tijd met hen op te trekken. Hetzelfde geldt voor de vele vrijwilligers, van sportclub tot maatschappelijk werk. Samen vormen ze een verbluffend sterk ‘help-systeem’. 

Er wringt zoals gezegd nog steeds iets. Het help-systeem dat we zo samen bouwen leunt nog steeds niet echt op community-goodness. Ja, beleidsmatig wel, ook in de retoriek van discussies en zo. Maar in de praktijk wordt de community-power te weinig echt aangesproken. We doen het wel, maar uiteindelijk halfhartig. Het is geen verwijt, ik heb het ook over mezelf. we zijn allemaal het product van een individualistische cultuur. ‘Je moet vooral voor je zelf opkomen, niemand anders doet het voor je’.

Een voorbeeld. Werk vinden als je uit het voortgezet speciaal onderwijs komt? Dat is voor een deel op te pakken met professionele job-coaches, maar komt uiteindelijk neer op liefdevolle werkgevers die ook de kids in hun gemeenschap onder hun hoede willen nemen. Wie een help-systeem bouwt vanuit een community-perspectief maakt niet zozeer subsidieregelingen voor maatschappelijke initiatieven, maar bouwt vooral gestaag aan echt partnerschap en zelfs vriendschap met werkgevers of andere maatschappelijke hoofdrolspelers. Dat is voor mij een echt andere benadering, met praktische verschillen in werkwijze.

John McKnight is bekend geworden met zijn boeken over ‘the gifts’ van de samenleving (lees bijvoorbeeld ‘The Abundant Community’ uit 2010). Die ‘gifts’ zijn kennis, relaties, empathie, geld en veel meer. De maatschappelijke cadeautjes liggen voor het oprapen. Maar moeten – ook door gepassioneerde profesionele helpers en vrijwilligers – wel worden op- en uitgepakt.

Het beeld van ‘gratis hulp uit de community’ is uiteraard al te romantisch. Gelukkig maar, wie hulp zoekt moet daar wel wat voor (willen) doen. Wie een community bouwt of organiseert moet informeren, verleiden, faciliteren en sensitief genoeg zijn om de specifieke omringende wereld echt te snappen. En vooral – ook Tom Wolff wijst daar op – zorgen voor genoeg ‘joyness’, een reeks van plezierige ervaringen bieden. In de groep waar ik mee mag helpen rond werk en speciaal onderwijs is dat wat (mij) enorm opvalt, het plezier dat werkgevers beleven aan ‘hun’ werknemers die net even wat minder snel zijn dan gemiddeld. Community-building is vooral ook het aanspreken van ‘joy’.

Twijfel in de community?

Ik begeleidde een flinke tijd terug alweer een verkiezingsdebat met raadsleden. Op een gegeven moment stelde ik de – dacht ik – aardige vraag aan de politici, ‘twijfelt u wel eens, waar twijfelt u wel eens aan? De antwoorden weet ik niet meer zo, maar wel dat na afloop in de coulissen irritatie leefde, ‘vragen in zo’n openbare bijeenkomst naar twijfels is not done’. Weer wat geleerd. Recent sprak ik met mannen die in een tikkeltje stoere sectoren actief waren, beveiliging en de politie. Los van elkaar noemde ze allebei toevallig hun allergie voor twijfel. ‘Als je twijfel laat zien, is je gezag meteen weg’.

Twijfel staat dus niet in een gunstig daglicht. En dat terwijl ik twijfel nu juist zo’n aardig thema vindt, ook in de rol van community-manager. Partijen die ik daar ontmoet hebben vaak een subsidierelatie met overheden zoals gemeenten. En inderdaad, als ze te hardop twijfelen aan hun eigen aanbod en diensten zijn ze ‘gezien’. Dus dat doen ze ook vrijwel niet. Het netto-effect is dat ze daarmee ook de kans vergroten vast te houden aan niet meer zo effectieve praktijken en methoden. Een lastig dilemma, ze willen misschien wel twijfelen, maar doen het vooral binnenskamers zodat de buitenwacht niet mee kan ‘genieten’.

Vrijplaatsen voor twijfel

Het is belangrijk om vrijplaatsen te creëren waar twijfel aan het eigen werk juist het vertrekpunt is. Een community kan zo’n plek zijn, mits die veilig genoeg is.
Als community-manager aas ik er steeds op twijfel te agenderen, twijfel over visies, over methoden, over routines en meer. Maar ook in een community is het oppassen geblazen.

Wie literatuur over dit onderwerp bekijkt stuit vooral op religieuze boeken en de zelfhulp-catalogus. Twijfel botst met geloof en twijfel schijnt ook slecht te zijn voor je persoonlijke ontwikkeling (‘twijfel niet aan je zelf, je mag er wezen’). Aan de kant zijn hele betogen over het nut van negatieve emoties en scepticisme, onder het motto ‘neem nooit iets voor waar aan’. Dan schiet het weer door naar een sterke kritische grondhouding, met als risico dat nieuwe initiatieven al meteen de grond in worden geboord (iets wat helaas ook de praktijk van alledag is).

Speels omgaan met twijfel

Twijfel bespreken in een groep werkt voor mij  vooral door het wat speels aan te vliegen. Zo gebruik ik soms een narratieve tactiek, ‘stel uw werk is een personage in een verhaal, wat zijn dan de deugden en ondeugden van dit karakter’. Met daarbij de toevoeging dat een personage dat helemaal deugt ontzettend saai is. Mijn ervaring is dat dit erg helpt, de twijfels vliegen opeens door de lucht. Twijfelen wordt dan opeens grappig.
Een andere wat speelse tactiek is samen een boekje te maken dat speelt in de toekomst (‘hoe zou het er dan aan toegaan’). In de toekomst kun je afstand nemen van het nu, dus dat is ook een vorm van twijfelen.

Omgaan met ‘awkward’ situaties

In het boek ‘The Power of Negatieve Emotion (how anger, guilt and self doubt are essential to succes and fulfillment)’ van Todd Kashdan en Robert Biswar-Diener uit 2014 zit een betoog over leven en werken in een individuele cultuur en in een meer collectivistische cultuur. Vergelijk Azië met Europa. Ik ben wel voorzichtig met het waarheidsgehalte van zulke vergelijkingen, maar het is altijd boeiend.

Waar kalmte en harmonie prettige emoties zijn in een collectieve cultuur, is dat in de westelijke sfeer eerder opwinding, plezier en enthousiasme. Dit werkt door in hoe met een onplezierige en ‘awkward ‘situatie wordt omgegaan. Onplezierige emotionele situaties worden in het westen al snel weggepoets met humor en afleiding. In de oosterse cultuur is, volgens de auteurs, de tolerantie voor onplezierige situaties hoger. Ze kunnen daarom – zo is de redenering – ook beter met twijfel en onzekerheid omgaan.

Twijfel en vertwijfeling

Soms wordt het verschil gemaakt tussen twijfel en vertwijfeling, Twijfel leidt tot experimenteergedrag. Een community is daar helemaal de juiste plaats voor, experimenteren. Wie vertwijfeld wordt, raakt geblokkeerd en komt eerder tot stilstand.

Ik vind die zelfhulp- en reliboekjes overigens niet altijd ‘stupid’. Soms komen ze ook met zowel amusante als waardevolle uitspraken zoals ‘whenever God wants to send you a gift, he wraps it up in a problem’ (Norman Vincent Peale), in een adem door met quotes zoals ‘face the truth’ en ‘recognize the lesson contained in your unhappy situation’.

Empower a woman, empower a community?

Een vriendin van mij trekt zich het lot aan van jonge vrouwen uit de lagere kastes van India, en opende daarom voor hen een weeshuis en een horeca-opleiding in Bangalore. Hoe ze het doet, doet ze het, maar Nederlandse hogescholen steunen haar inmiddels actief. Haar inmiddels afgestuurde kids komen af en toe ook naar Nederland, ik heb zo’n groep een tijdje terug ontmoet, erg inspirerend. Onlangs publiceerde ze een mooie tegelwijsheid op sociale media, ‘empower a woman, empower a community’. Zijn vrouwen optimale community-builders? Of is dit ernstige stereotypering? Ik denk meteen even aan het Nederlandse Koninklijke Huis. Twee bekende mannen daarvan zijn huisjesmelker, stimuleren startups en organiseren een Formule 1 race. Auto’s, huizen en geld, behoorlijk ‘mannelijke’ rolmodellen dus. Twee bekende vrouwen zijn bezig met een Raad voor Kinderen en het verstrekken van microkredieten. De prins van de startups ijverde onlangs wel actief voor een quotum van vrouwen bij startups, met veel bijval ook van andere mannen.

Community is feeling, society is rationality?

John Bruhn citeert in zijn ‘Sociology of Community Connections’ uit 2011 een essay van Berger uit 1998. Die koppelt daarin vrouwen aan community, en mannen aan society. Community noemt hij traditie, society verandering. Oei. Zijn community-builders in essentie conservatief? De quotes van Berger zijn te opmerkelijk om niet even te noemen. “Community is female, society is male. Community is feeling, society is rationality. Community is warm and intimate, society is cold and formal. Community is love, society is business”. Ik hou het er maar even op dat de auteur hier als onderzoeker gangbare en deels versleten man-vrouw beelden opschrijft. Wel viel me zeer recent bij een eigen – nog wat losjes ingestoken – community-initiatief op dat veel mannen erg ‘in hun hoofd zitten’: Als iets niet helemaal goed doordacht en uitgedacht is, doen ze niet mee! Op Twitter en andere sociale media regeren ook ‘boze witte mannen’, de boze witte vrouwen zijn minder aanwezig en hoorbaar.

‘Leading With Care’

Empower a woman, empower a community. Laten we er eens van uitgaan – ik neem mijn vriendin erg serieus–  dat dit waar is. Hoezo dan? Waarom eigenlijk? Het ‘raadsel’ wordt deels onthuld door Mary Cantando in het boek ‘Leading With Care (‘how women around the world are inspiring business, empowering communities and creating opportunity’) uit 2009. Dit is een beter en serieuzer verhaal. Uit de case-studies, wereldwijd, komt een duidelijk beeld tevoorschijn. Veel vrouwen zijn niet alleen excellente ondernemers maar ook bijzonder op innovatie gericht (‘challenge conventional wisdom’). Zij zijn daarnaast – volgens Mary Cantando – vooral goed in community-building omdat ze een scherper oog hebben voor volgende generaties, beter dan veel mannen door hebben dat ‘non work activities build true community’, het belang van voorbeeldgedrag inzien (‘example for others) en zich anders dan veel mannen realiseren dat werken niet alles is (‘more than life to money’). Tot zover dit standbeeld voor vrouwen.

ZZP-netwerken met vrouwelijke dienstverleners

Wat is de betekenis voor professionele community-building? Ik noem een praktisch inzicht dat mij in feite al jaren bezighoudt (er zijn nog veel meer lessen te trekken). We kennen inmiddels in eigen land een grote ZZP-community, vooral werkzaam en wonend in grote en middelgrote steden. Daarin zitten behoorlijk veel vrouwelijke dienstverleners. Een community-builder doet er goed aan die zzp-netwerken actief te betrekken bij het community-werk. Officiële instituties (gerund overigens door mannen en vrouwen) laten deze kans te vaak nog onbenut, en daarbij ook een hoop community-power.

Van potentiële community naar een echte

De grote opgave voor elke community-manager is om haar of zijn groep vitaal en (inhoudelijk) scherp te houden. Soms gaat dat – bijna – vanzelf vanwege de sterke chemie, meestal is inzet en vooral creativiteit nodig. In veel gevallen is de term community een etiket voor een te losse groep. En ook een levendige groep kent momenten van verval of einde. Minder aandacht krijgt bij community-building de startfase. Hoe wordt een ‘losjes gekoppeld netwerk’ omgevormd tot een lekkere groep?

Oppakken of oprichten

Bij de start van het community-proces zijn er in feite twee smaken. Er is al een levendig en informeel netwerk, en de community-manager kan dit oppakken en de groep hechter maken. Dit komt relatief vaak voor, het wemelt van de informele groepen met een hoge community-feel. Veel communities worden nooit opgericht, maar hoeven alleen herkend en vooral ook erkend te worden. We spreken ook wel over bootleg-communities, onder verwijzing naar de aloude lp’s (je weet wel, die zwarte schijven). Een bootleg-album was al lang op de markt, zonder ooit formeel en met toestemming te zijn uitgebracht. Een community kan ook doelbewust en doelgericht opgericht worden (‘established communities’). Soms kennen de potentiële leden elkaar niet nauwelijks, maar is er wel community-potentieel. Een goede community-manager is voortdurend alert op dit community-potentieel. Voorzitters van duffe wijknetwerken, ambtenaren of bestuurders met een onwijs boeiend inhoudelijk dossier, bedrijven met hun rug naar de samenleving, ze zijn – in mijn visie – ‘knap stom’ bezig door een potentiële community die voor ze ligt niet wakker te kussen. Tot zover deze meningenfabriek. In de term community-building zit iets van maakbaarheid besloten. Critici van de term community-building wijzen op de onjuiste bouw-metafoor, een community groeit vooral. Een grasspriet groeit (helaas?) niet sneller door er aan te trekken.

Drie keer een plus

De ‘million dollar question’ is, hoe maak je doelbewust en doelgericht van een potentiële community iets waar werkelijk leven in zit. In de afgelopen weken zag ik me geconfronteerd met een losse droomgroep. De groepsleden waren begaan met de maatschappij, ze woonden op min of meer dezelfde plek en waren behoorlijk ontwikkeld.  Dat is dus drie keer een plus. De groep was bij elkaar gebracht voor een etentje. Heel slim, want samen eten is altijd de grote verbinder. Deelnemers waren vooraf gevraagd om hun favoriete spot van de wijk te laten zien, via een door hen zelfgemaakte foto. De foto’s hingen aan de wand. Op bijna geen enkele foto stonden mensen, het waren vooral mooie gebouwen of groenstroken. Een enkeling had wel een café op de foto gezet, als ontmoetingsplek. Ok, alle seinen op groen, maar hoe nu verder? Gelukkig was daar de boekenkast over community-building.

Ons dorp

Mensen verbinden zich allereerst vanwege een plek. Het is de theorie van het DORP, de bewoners identificeren zich met elkaar omdat ze de plek waar ze wonen emotionele waarde toekennen. Antropologen waarschuwen overigens al honderd jaar voor deze mythe van het dorp. Dat dorpsbewoners aardig tegen elkaar zijn, komt ook omdat ze ruilhandel bedrijven en zich samen kunnen verweren tegen indringers. Daar zit niks romantisch aan. De geografische factor is – desondanks – nog steeds van grote waarde. Kijk maar naar de vele groepen op sociale media waarin bezoekers jarenlang beelden delen van hun plek, onder de noemer IK BEN EEN (verder zelf te invullen). Moest ik vooral de dorpskaart trekken, ook al bevond ik me in een grote stad?

Help!

Met een goede kennis besprak ik deze aanpak. Zij vond van niet. Als ik verstandig was zette ik in op de factor URGENTIE. Mensen verbinden zich als ze allemaal tegelijk last hebben van een groot probleem, waar ze zelf en alleen niet uit komen. Meteen schoot klassieke handboek-kennis door mijn hoofd, van Doorn en Lammers over institutionalisering, ‘bij dreiging kruipen mensen bij elkaar’. Moest ik inderdaad vooral inzetten op de inhoud, zoals al zo vaak rondom zakelijke netwerken gebeurt?

Mijn mensen

Ik besloot toch vooral voor een derde variant te gaan. Op de genoemde foto’s stonden opvallend weinig mensen. Ik sprak de groep er een beetje plagend op aan. ‘Zijn jullie je buren vergeten’. ‘Zijn jullie elkaar vergeten’. ‘Ga even praten met iemand waar je misschien niks mee hebt’. Het is het verhaal van de normatieve identificatie. Mensen zoeken elkaar op vanwege gedeelde INTERESSES EN WAARDEN. Het is ‘de’ reden waarom ook in een grotere stad nog zoveel gemeenschapszin bestaat. Mensen komen bij elkaar in honderden clubjes, omdat ze gek zijn op auto’s, roddelen, pokemons vangen, dezelfde sport, architectuur of omdat ze koken leuk vinden. Mensen verbinden zich ook omdat ze zich bij anderen prettig voelen, wat in feite een hele sterke kracht is.

Binnenkort komen we weer bij elkaar. De eerste stap is gezet, de eerste slag gewonnen. Community-building is een linke business waar je al in de eerste minuten de game kunt verliezen. Nu dit niet gebeurt is, verder werken aan het winnende game-plan.

Een community wordt persoonlijk

In 2000 begon ik als professioneel dagvoorzitter te werken. Eerst nog mondjesmaat, want het was nog geen gewoonte daar een specialist voor in te huren. Voor elke opdracht kwam een zogeheten ‘intake’. De bijeenkomsten kenden twee smaken, een zakelijke bijeenkomst of een persoonlijke meeting. Zeg maar het verschil tussen een strategiesessie of een dagje team-builden. Ik heb dat vanaf de allereerste dag vreemd en niet wijs gevonden. Waarom moest dat zo uiteen, inhoudelijk en persoonlijk? De meeste opdrachtgevers in die startperiode waren onvermurwbaar. Tijdens een visiebijeenkomst over persoonlijke kwesties spreken was tijdverlies. Soms was sprake van regelrechte paniek en werd tijdens de intake bijna geschreeuwd. ‘Niet persoonlijk worden, niet persoonlijk worden’. In de laatste tien jaar is dat volkomen veranderd. Scripts voor een congres of heidag  van mijn hand werden soms afgewezen met de toevoeging: ‘leuk, maar niet persoonlijk genoeg’. En dan ging het om een -zo leek het – puur inhoudelijke hulpvraag.

Werkervaringen delen

Een professionele community kent voor mij drie peilers, werken met complexe kwesties, uitgedaagd worden en persoonlijk zijn. Ik ga hier door op dit laatste. Persoonlijk zijn en worden invullen kan op vele manieren. Voor de hand liggend maar niet zo boeiend is om te praten over persoonlijke onderwerpen als bijvoorbeeld vakanties. Het mag overigens best. Beter is wat in de literatuur over community-building aangeduid wordt als ‘technical snoozing’ (door bijvoorbeeld Etienne Wenger e.a. in ‘Cultivating Communities of Practice’ uit 2002, een nog steeds relevant handboek). Technical snoozing staat voor ruimte en tijd inbouwen om te praten over operationele kwesties op het werk, van omgaan met management of medewerkers tot aan praktische vakkwesties. Deelnemers aan een community vinden dit – zo merk ik – heerlijk, stuk voor stuk.

Steun bieden

Een community is en wordt ook persoonlijk door in te zetten op steun. Vanuit het principe ‘jouw probleem is ook (een beetje) mijn probleem’. Ik noem bewust een beetje, een te radicale invulling botst met de (nog?) dominante cultuur. Veel communities in de hulpverlening zijn bijna volledig vanuit dit principe opgezet, het zijn ‘self-help communities’. Deelnemers ruilen hulp en aandacht, denk bijvoorbeeld aan patiëntenplatforms. Een community op het beste van haar kunnen is een echte steungroep. Waar in het gewone organisatieleven vaak concurrentie de norm is (er is nu eenmaal sprake van strijd om schaarse middelen) biedt een community gewenst en noodzakelijk tegengas. Elkaar helpen, ook al spelen op de achtergrond concurrerende organisatiebelangen, gebeurt in een community op persoonlijke titel en daarom ‘mag’ het ook. Het is voor mij een niet te onderschatten winstpunt van het werken met een community. 

Persoonlijke ervaring

Wat onderbelicht nog qua praktisch gebruik maar voor een community-builder zeer effectief, is het bewust naar boven halen en gebruiken van 100 procent persoonlijke ervaringen. Bij het uitdenken van nieuwe methodes of nieuwe oplossingen. Recent maakte ik in een community gebruik van het fenomeen jeugdherinneringen. De groep was zelden zo geïnspireerd, ikzelf trouwens ook. De verklaring daarvoor is eenvoudig, wat dichtbij komt raakt mensen, ook als zij actief zijn in hun professionele rol.

Ervaringsdeskundigen

Een jargonwoord is de term ervaringsdeskundige. Het is onaardig gesteld een eufemisme voor niet- echt- deskundig, in de ogen van wel-bekwame-professionals. De ervaringsdeskundige is expert in huis-tuin- en keuken kennis, niet wetenschappelijk gevalideerd door ‘hard onderzoek’. Professionals zijn vaak als de dood voor de inbreng van ervaringsdeskundigen, ook omdat de stijlvorm van een ervaringsdeskundige niet altijd netjes aansluit bij de manier waarop ‘professionals’ met elkaar omgaan en praten. Anders gezegd, ze spreken ‘uit het hart’, met vaak een flinke dosis emotie, het is niet altijd even gepolijst. Een community wordt persoonlijk door ervaringsdeskundigen het podium te geven. Zij zijn de echte hoofdrolspelers. De inbreng van ervaringsdeskundigen is ook anno nu geen ‘business as usual’. Een community-builder die zijn rol kent is daar voortdurend alert op en knokt daar ook voor.